In 1971 startte je met de opleiding tot A-verpleegkundige. Waarom?
‘Dit kwam voor een belangrijk deel door mijn moeder. Zij was ook verpleegkundige, en werkte als verpleegkundig nachthoofd in Psychiatrisch Ziekenhuis Wolfheze. Zij kwam altijd thuis met enthousiaste verhalen. Die gingen zelden over zware of moeilijke dingen, maar altijd over leuke en bijzondere gebeurtenissen. Ze was een vrolijke en soms wat ondeugende verpleegkundige, en heeft mij door haar manier van doen enthousiast gemaakt voor het beroep.’
De A-opleiding was gericht op het ziekenhuis. Daarna ging je de B-opleiding doen, dus de psychiatrie in. Waarom?
‘Nou, dat ging niet direct, ik moest eerst nog in militaire dienst. Daarna ben ik “de B” gaan doen ja. De reden was dat dat in die tijd heel gewoon was. Na de A deed je de B. Of andersom. Dat was in de periode voor de hbo-v. Ik ben altijd blij geweest met mijn volgorde. Doordat ik de A had gedaan stond ik een stuk steviger in mijn schoenen toen ik de psychiatrie in ging. Want dat was best pittig.’
Ja? Vond je dat een grote overgang, van algemene naar psychiatrische ziekenhuizen?
‘O ja. Ik kwam vanaf de ic, waar ik veel medische-technische handelingen uitvoerde. Wat ik wel heel leuk vond, trouwens. Ik was als verpleegkundig opgeleid in het zelf “doen”. In de psychiatrie moest ik dat echt afleren. Dat werd ook zo tegen me gezegd: “Doe nou eens rustig aan, joh!” Ik moest van “verzorgen” naar “ondersteunen”. In de psychiatrie ging het in vergelijking met het ziekenhuis toen veel meer om het ondersteunen van de patiënt in zijn of haar zelfstandigheid. Van zorgen voor naar zorgen dat zijn de woorden die hier later voor werden gebruikt. Je zou kunnen zeggen dat de psychiatrie hierin vooropliep op wat gangbaar zou worden in algemene ziekenhuizen.’
Werkte je toen ook vanuit een definitie van verpleegkunde? En, zo ja, welke?
‘Ja. Dat wil zeggen: wel in ‘de A’. Daar gingen we uit van: verpleegkunde is het vak van verzorging, begeleiding en ondersteuning van mensen die vanwege ziekte, een beperking of kwetsbaarheid tijdelijk of langdurig niet voor zichtzelf kunnen zorgen. Het vak richt zich op bevorderen, behouden of herstellen van gezondheid en het verbeteren van de kwaliteit van leven. Verpleegkundigen verlenen zowel basiszorg, bijvoorbeeld wassen en aankleden, als medische zorg, bijvoorbeeld medicatie toedienen en wondverzorging. Deze tekst komt voor een deel nog voor in de Beroepscode van Verpleegkundigen en Verzorgenden. Daar is inmiddels het belang van zelfmanagement en wetenschappelijke onderbouwing aan toegevoegd. Ik heb begrepen dat de nieuwste definitie nog weer verder gaat door het belang van samenwerking met anderen en van de leefomgeving te benadrukken. Preventie wordt steeds belangrijker. Mooi!’
Nog even terug naar ‘de A’: wat vond je daar zo leuk?
‘Zoals ik zei: ik was toen erg van de techniek, van de medisch-technische handelingen. Ook vond ik de spanning fijn die er vaak was op de ic. Wat me daarbij trok was de relatie met de artsen, die was daar toen al gelijkwaardig. Dat gaf een band. Als je goed was, werd dat gezien en werd je door iedereen serieus genomen. Ik denk dat dit nog steeds zo is, en dat is ook goed.
Wat me altijd is bijgebleven, is een mevrouw die van haar stoeptrapje was gevallen in Arnhem. Daar waren – en zijn nog steeds – veel huizen met een stenen trapje bij de voordeur. Zij was recht op haar hoofd gevallen en werd bij ons opgenomen. Aan ons op de ic de taak haar een heel etmaal te controleren. Alles ging goed, tot een uur of vijf in de ochtend. Het viel me op dat haar rechteroog net wat trager reageerde. Ik belde de arts, die meteen kwam, een EEG liet maken en haar vervolgens met vliegende haast per ambulance naar het toenmalige Sint Radboud Ziekenhuis in Nijmegen liet brengen. Daar werd ze – net op tijd – geopereerd aan een subarachnoïdale bloeding. Later kwam mevrouw langs om ons te bedanken, en dat deed me wel wat. Je kon, en kan, in deze functie en op deze plek écht iets betekenen voor mensen.
En het gaat daarbij echt niet alleen om technische handelingen. Later, toen ik als bestuurder werkzaam was in een verpleeghuis, gebeurde er ook iets dat me altijd is bijgebleven. Een verpleegkundige vertelde me over een vrouw. Die had al 25 jaar niet meer onder de douche gestaan. Ze was vanuit efficiencyoverwegingen al die tijd aan de wastafel geholpen met wassen. Nu had de verpleegkundige haar eens onder de douche geholpen. Spannend, want ze wist niet hoe die vrouw zou reageren. Ze zei: “Ik hoor nog steeds de uitroep van die mevrouw omdat ze het zo ontzettend heerlijk vond om onder die warme douche te staan”. Je kunt dus ook veel betekenen door iemand onder de douche te helpen. En dat maakt dit beroep zo mooi en bijzonder. Je kunt van meerwaarde zijn voor anderen. Op allerlei manieren, en op alle niveaus.’
Is er ook wat veranderd in verpleegkundige handelingen?
‘Zeker wel. En dat is maar goed ook. Het beroep ontwikkelt zich steeds verder op basis van nieuwe inzichten. Maar soms zijn het ook heel banale zaken die leiden tot anders handelen. Zo was het separeren van patiënten in mijn tijd heel gebruikelijk in de psychiatrie. Dat kwam best veel voor op het paviljoen waar ik werkte. Totdat het gebouw gerenoveerd moest worden, en we geen eigen separeerruimte meer hadden. Als we separeren toch nodig vonden, moesten we naar een ander gebouw op het terrein. Dat leidde tot een enorme daling van het aantal separaties. Dat kwam, denk ik, omdat we daardoor niet alleen anders omgingen met escalaties, maar ook omdat we veel meer preventief bezig waren. Als we bij een patiënt iets voelden aankomen wat kon leiden tot escalaties, handelden we eerder dan voorheen. Waardoor het separeren uiteindelijk minder nodig was. Je gaat door dergelijke externe veranderingen blijkbaar ook anders handelen. En daar leer je enorm van.’
Hoewel je verpleegkundige een mooi beroep vond, koos je ervoor docent te worden.
‘Dat had vooral een praktische reden. We hadden een huilbaby. En die was erg gebaat bij een vaste dagstructuur. Door te gaan werken bij de opleiding kon ik een vast dag- en werkritme aanhouden. Gaandeweg merkte ik dat ik het lesgeven ook erg leuk vond. Ik kreeg er steeds meer plezier in, vooral door vragenderwijs met de stof bezig zijn. Ik bedoel daarmee dat je alles bespreekbaar kunt maken met studenten, en door die gesprekken tot veel nieuwe inzichten komt. Ik bewaar dan ook goede herinneringen aan die periode. Maar ik moet wel zeggen dat deze manier van werken intensief was, waardoor ik iedere dag gesloopt thuiskwam. Toch geeft die intensiteit veel voldoening. Eigenlijk ga je samen op weg. Je gaat een intensief proces aan dat in essentie erg lijkt op het werk van verpleegkundige. Daar doe je dat ook.’
Je vond het docentschap mooi, maar koos weer voor iets anders. Je werd bestuurder.
‘Ik ben altijd op zoek geweest naar nieuwe uitdagingen en ben erop gericht om alle opgedane ervaring in te zetten in nieuwe situaties. Dat was voor mij de reden om Bestuurskunde te gaan studeren. Die kennis wilde ik daarna toepassen in de praktijk. Ik heb altijd de cultuur in een organisatie cruciaal gevonden, op alle niveaus. En als bestuurder kan je daarin het voorbeeld geven, eraan bijdragen dat er echt naar elkaar geluisterd wordt, dat er een sfeer van openheid en transparantie heerst, dat er vertrouwen is. Ik vond het geweldig om dat met elkaar op te bouwen. Grote woorden misschien, maar ik geloof daar echt in.
‘In mijn andere functies ben ik verpleegkundige gebleven’
Ik ben binnen meerdere organisaties bestuurder geweest, en overal waren er grote uitdagingen. Soms in de cultuur, soms financieel, vaak ook in een combinatie daarvan. En altijd weer had ik enorme zin om eraan te beginnen, om verbeteringen te realiseren. Om daar samen met anderen werk van te maken, en te zien dat je dan als organisatie stappen kunt maken.’

Zijn er dingen die je, achteraf beschouwd, anders zou hebben gedaan?
(Na lang nadenken): ‘Nee, niet echt. Ik heb nooit zomaar wat gedaan, het waren altijd weloverwogen keuzes. Dat wil niet zeggen dat ik altijd kon voorspellen waar we uit zouden komen, maar wel dat we het op een juiste, zorgvuldige manier zouden aanpakken.’
Voel je je na al die verschillende functies en rollen nog altijd verpleegkundige?
(Zonder lang nadenken): ‘Ja! Omdat de basis van zorgzaamheid, het aandacht hebben voor anderen, in alle functies centraal is blijven staan. In die zin ben ik altijd verpleegkundige gebleven.’
Zal het beroep er over 25 jaar anders uitzien?
‘Natuurlijk, en dat is maar goed ook. Het beroep moet zich continu blijven doorontwikkelen. Voor de komende jaren verwacht ik een grote rol van AI. Dat zal veel gaan betekenen voor de wijze waarop we met name standaardwerkzaamheden uitvoeren. Maar ook op andere niveaus, zoals bij diagnosticeren, rapporteren en registreren.
Ik denk dat het beroep ook steeds leuker wordt. Voorheen was de keuze na je basisopleiding vrij beperkt: je bleef verpleegkundige of je werd leidinggevende. Nu zijn er veel meer opties. Je kunt je op veel verschillende gebieden specialiseren, er zijn mooie vervolgopleidingen zoals de Master Advanced Nursing Practice en opleidingen tot physician assistant. Die bieden een mooi carrièreperspectief en dragen dus ook bij aan behoud van zorgpersoneel. Eerlijk gezegd ben ik daar wel jaloers op, ik had best graag verpleegkundig specialist willen worden.’
Wat zou je onze nieuwe minister van VWS adviseren als het gaat om verpleegkunde?
‘Maak werk van het terugdringen van personeelstekorten. Die hebben we al zo lang aan zien komen, en echt goed beleid is er nooit voor geformuleerd. De gevolgen daarvan worden nu steeds zichtbaarder. De demografische cijfers zijn bekend, en iedereen weet dat de mantelzorg best veel kan en wil, maar daar zitten grenzen aan. Net als aan het gebruik van zorgtechnologie. Ik zou zeggen: verzin een list!
Daarover doordenkend: het is de moeite waard om mensen in de buurt meer te betrekken bij elkaars ondersteuning. Veel mensen willen écht wel wat voor hun buren doen, naar eigen kunnen. Daar liggen denk ik nog volop mogelijkheden. Waar ook winst te behalen is, is in de manier van opleiden. Veel startende verpleegkundigen haken om allerlei redenen vroegtijdig af. Ik denk dat praktijkleren hierbij belangrijk is. Die oude inservice opleidingen waren zo gek nog niet. Je leert dan snel en veel praktische dingen en maakt uitgebreid kennis met de cultuur en waarden van de organisatie. Het belang van dat laatste voor de kwaliteit van zorg, en het behoud van personeel, wordt weleens onderschat. Een innovatieve vorm van praktijkleren zou ook de mogelijkheid bieden om al aan de poort, bij een soort sollicitatieproces, na te gaan of er een match is tussen de student en de organisatie. Dat zal daarna winst opleveren.’
Waarom zou je op dit moment als student kiezen voor verpleegkunde?
‘Nou, het is natuurlijk best hard werken, maar inmiddels ook voor een behoorlijk salaris. Het nog vaak heersende negatieve imago klopt helemaal niet. Verpleegkunde is gewoon een heel mooi beroep.’

