Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Interview Jan Hamers | Bezige bij

Begonnen als verpleegkundige en inmiddels naast hoogleraar ook bestuursvoorzitter van de MeanderGroep Zuid-Limburg. Jan Hamers vertelt vol enthousiasme over zijn keuzes, drijfveren en het mooie van werken en onderzoeken in de zorg.  
Jan Hamers
Jan Hamers: 'Ik wil atlijd versnellen'. Foto: Henk Rosendal

Waarom ben je ooit gestart met de hbo-v?

‘Dat was eerlijk gezegd niet heel erg bewust. Ik was toen 17, en wist alleen dat ik iets in de zorg wilde gaan doen na mijn middelbare school. Ik had verschillende mogelijkheden bekeken, waaronder de opleiding tot operatieassistent, en de hbo-v. Dat laatste trok me wel, vooral de combinatie tussen theorie en praktijk. In die tijd kon je niet zomaar starten, er was een wachtlijst. Wel heel bijzonder als je daar goed over nadenkt. Gelukkig mocht ik beginnen aan de hbo-v in Sittard.’

Hoe beviel je dat?

‘Prima. In die tijd was er nog geen sprake van uitstroomvarianten. Je moest alle domeinen leren kennen. Dus niet alleen het ziekenhuis, de psychiatrie en de wijkverpleging, maar ook de verstandelijk gehandicaptenzorg en de verpleeghuizen. Je liep ook stage in al die domeinen, van korte snuffelstages in het begin van de opleiding, tot langere aan het eind. Terugdenkend is het wel bijzonder dat ik de eerste snuffelstage in een verpleeghuis veel minder leuk vond dan de latere, langere stage. Toen werd ik ook echt enthousiast om daar te gaan werken.’

Wat was er dan anders?

‘Het was ten eerste in twee verschillende verpleeghuizen. Tijdens de snuffelstage werd van ons, als beginnende leerlingen, verwacht dat we ’s middags meededen aan het vouwen van zakken. Daar moest dan per kleur uiteenlopend verpleegmateriaal in. Ik onttrok me daaraan en was bij een onrustige bewoner gaan zitten, en probeerde die gerust te stellen.

De dag daarna moest ik me melden op het kantoor van het afdelingshoofd en werd me duidelijk gemaakt dat ik geen gast maar een werker was en me niet aan de activiteit had mogen onttrekken. Niet alleen ik, maar ook de hbo-v werd daarop aangesproken. Deze begrepen en steunden me hierbij wel.

Deze eerste ervaring met het verpleeghuis was niet geweldig, maar heeft waarschijnlijk wel een zaadje geplant om zorg te verbeteren en veranderen. Tijdens mijn lange stage in een ander verpleeghuis had ik een andere, positieve ervaring. Ik kreeg veel vrijheid en werd serieus genomen als ik voorstellen voor verbetering deed. Dat maakte het voor mij erg leuk, want er was zoveel dat in mijn ogen beter kon. Echt een groot verschil met die eerdere, kortere stage.’

Al met al dus een mooie periode?

‘Jazeker. Ik heb daar niet alleen veel geleerd, maar werd ook snel volwassen. Doordat je geconfronteerd werd met overlijden en leed. Dat maakt dat je wat sneller volwassen wordt. Zeker in vergelijking met mijn vroegere schoolvrienden die andere opleidingen waren gaan doen.’

Daarna ben je in de zorg blijven werken?

‘Ik ben toen tweeënhalf jaar werkzaam geweest in een verzorgingshuis. Die waren er toen nog. En dit was wel een bijzonder verzorgingshuis, er waren daar uiteenlopende afdelingen: een die veel weg had van een verpleeghuis, een met vooral psychiatrische problematiek, een voor mensen met een verstandelijke beperking, en ook nog een waar veel delinquenten woonden.’

En na die tweeënhalf jaar?

‘Toen ik in dat verzorgingshuis ging werken, was ik al meteen begonnen met de deeltijdstudie Verplegingswetenschap in Maastricht. Dat was toen de eerste lichting die dit ging doen. Er begonnen veel oudere, doorgewinterde verpleegkundig managers aan die studie. Mensen met veel ervaring.

Ik was begin twintig, en voelde me daartussen echt een jonkie. Zij hadden veel ervaring in de praktijk, maar ik wist door mijn opleiding veel over onderzoek. En dat maakte het ook onderling erg leuk. Uiteindelijk waren er drie studenten die het eerst afstudeerden, en daar was ik er een van. Ik kijk nog altijd met veel plezier op deze periode terug.’

Wat vond je het leukst van deze studie?

‘Onderzoeksmethodologie. Dat kregen we van prof. Hans Philipsen. De meeste medestudenten vonden dat een moeilijk vak, maar ik werd er blij van. Ik ging ook graag in gesprek met hem over hoe je bepaalde vraagstukken het best kon onderzoeken. Onderzoek heeft me altijd getrokken, waar ik ook werkte.

Ik vond dat tijdens mijn studie al zo leuk dat ik in het derde jaar besloot om te stoppen met werken in het verzorgingshuis om meer tijd te hebben voor onderzoek. Ik dacht dat dat goed te organiseren was, en ik recht had op een uitkering. Toen ik dat echter ging vragen aan de voorloper van het UWV, werd me duidelijk gemaakt dat ik daar helemaal geen recht op had. Ik had immers zelf ontslag genomen.

Toen ik dat vertelde in een van de gesprekken met Hans Philipsen wist hij daar wel wat op, en regelde een baantje voor me als assistent van de coördinator van de opleiding Verplegingswetenschap bij de Universiteit Maastricht. En toen ging het heel snel. Ik verzorgde toen het spreekuur voor deeltijdstudenten. En werd nog voordat ik afstudeerde gevraagd om toegevoegd docent te worden, wat ik een jaar heb gedaan.

Op dat moment kwam er een aio(assistent in opleiding, promovendus)-plek vrij bij de vakgroep Verplegingswetenschap. Ik wist niet veel van het onderwerp, pijn bij kinderen. Maar werd wel aangenomen, en ik kon het inhoudelijke deel snel bijspijkeren. Qua onderzoeksmethodologie had ik inmiddels al behoorlijk wat meegekregen. Ik kreeg ook de vrije hand om vorm te geven aan mijn proefschrift en combineerde literatuuronderzoeken met een kwalitatieve studie, twee grote laboratoriumexperimenten en een omvangrijke RCT. Na vier jaar mocht ik mijn proefschrift verdedigen.’

En die vaart bleef erin?

‘Zeker. Carla Frederiks, die toen bij de Universiteit Maastricht werkte, werd benoemd als hoogleraar in Nijmegen. Zij mocht iemand meenemen, met het oog op haar opvolging. Natuurlijk wilde ik dat graag doen. Helaas duurde het toen heel lang voordat mijn aanstellingscontract werd opgemaakt. Omdat mijn vrouw toen ook zwanger was, leek een verhuizing naar Nijmegen niet ideaal. Al met al heb ik toen besloten om in Maastricht te blijven werken, als universitair docent.

Vanuit die functie werd ik later door de toenmalige Rector Magnificus van de Universiteit Maastricht gevraagd om de rol van coördinator/directeur van de Provinciale Raad voor de Volksgezondheid in te vullen. Mij werd gevraagd de werkwijze van de Raad te hervormen en adviezen over zorgbeleid voor te bereiden op basis van wetenschappelijk onderzoek.

Een mijlpaal kwam voor mij toen ik in 1998 de Academische Werkplaats Ouderenzorg Limburg (AWO-L) mocht oprichten. Dat is inmiddels een samenwerking van de universiteit met twee ROCs, hogeschool Zuyd, en 9 grote ouderenzorgorganisaties. We begonnen trouwens met 1 verpleeghuis. Het aantal partners is in de jaren erna dus sterk gegroeid. In deze werkplaats is er een cruciale rol voor zogenaamde wetenschappelijke linking-pins. Zo’n linking-pin is een senior medewerker van de universiteit die een dag per week actief is bij een van de zorgorganisaties of mbo- of hbo-onderwijsorganisaties. Sinds een aantal jaren werken we ook met praktijk-linking-pins. Dat zijn medewerkers van de zorg- en onderwijsorganisaties die een dag actief zijn voor de AWO-L. Binnen de AWO-L hebben we veel onderzoek gedaan, waaronder naar de toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen.

De vraag hiernaar kwam voort uit een inventarisatie onder zorgmedewerkers. Behandeldiensten hadden het gevoel dat ouderen niet goed werden vastgebonden bij onrust. Het bleek dat er in de literatuur niet zo veel te vinden was over dit onderwerp. Daarom gingen we observeren in de praktijk. Wat bleek? Bij de helft van de bewoners werden wel eens vrijheidsbeperkende maatregelen toegepast. En 1 op de 3 werd vastgebonden. De medewerkers schrokken van deze resultaten. Toen we in andere instellingen gingen kijken, kwamen we dezelfde aantallen tegen. De reden om ouderen vast te binden was meestal dat medewerkers wilden voorkomen dat mensen zouden vallen, wat weer tot complicaties zou kunnen leiden. Dat werd toentertijd als goede zorg beschouwd.

Door het onderzoek in de AWO-L bereikten we dat er in de jaren erna anders werd aangekeken tegen vastbinden, en dat andere opties die worden afgestemd op de individuele bewoner, zoals het stimuleren van activiteit of het toepassen van technologie, beter waren. Achttien jaar later beschouwt iedereen vastbinden als geen goede zorg. Dat is toch een mooi voorbeeld van impact? Een dergelijke impact realiseerden we ook met ons onderzoek naar de effecten van het bezoekverbod in verpleeghuizen tijdens de Covid-pandemie. In het begin mocht niemand op bezoek. Wij konden aantonen dat bezoek juist positieve effecten had op de gezondheid van ouderen. Daarom paste de minister van VWS het beleid aan en opende de huizen weer voor bezoek. Zo kom je echt verder.’

Je werd vervolgens ook hoogleraar, was dat altijd al je droom?

‘Natuurlijk had ik er wel eens aan gedacht, maar dat was niet mijn grote ambitie. Maar toen er in het kader van de AWO-L een bijzondere leerstoel werd geïnitieerd door MeanderGroep, en ik de kans kreeg die te vervullen, was de keuze wel snel gemaakt. Na 5 jaar werd deze leerstoel door de Universiteit Maastricht omgezet in een gewoon hoogleraarschap. En die bestaat nog steeds.’

CV

Werkzaamheden

2024 – heden         Bestuursvoorzitter MeanderGroep Zuid-Limburg

2005 – heden:         Hoogleraar Ouderenzorg, Universiteit Maastricht

1998 – 2024:         Oprichter en oud-voorzitter AWO-limburg     

Opleiding

1991 – 1995:            Promotie-onderzoek (postoperative pain in children), Universiteit Maastricht

1987 – 1990:            Verplegingswetenschap, Universiteit Maastricht

1983 – 1987:            Hbo-v, Hogeschool Sittard

 

En nu ben je naast hoogleraar ook bestuurder?

‘Ik werk sinds juli 2024 nog 1 dag per week als hoogleraar en 4 dagen per week als bestuurder bij MeanderGroep. De reden voor mij om ook als bestuurder te willen werken was dat ik in die functie kansen zag om te versnellen. Het duurt heel lang voordat nieuwe kennis wordt toegepast in de praktijk. In het eerdergenoemde voorbeeld over het vastbinden heeft de implementatie ongeveer 18 jaar geduurd. En dat is niet uniek. Dat wil ik graag proberen te verkorten en ik denk dat dit in deze functie zou moeten kunnen. Vandaar deze keuze.’

En lukt dat?

‘Redelijk goed. Bijvoorbeeld het bekende slot op de deur bij verpleeghuizen. Stel, er wonen daar 50 mensen, en 5 ervan zijn wellicht ‘wegloopgevaarlijk’. En wat doen we dan in de regel? We sluiten de deur voor iedereen. Ik denk dat we dat moeten omdraaien, en de deuren niet meer op slot moeten doen. Daar zijn we bij MeanderGroep mee gestart. En dat betekent veel gesprekken met bewoners, medewerkers, familie en omwonenden. En ja, er wandelt wel eens iemand weg. Tot nu toe gelukkig zonder ernstige gevolgen. Maar dat kan altijd een keer gebeuren natuurlijk. Maar risico’s horen ook bij het leven, wij vinden het belangrijk om daar open over te zijn, en daarover met iedereen in gesprek te blijven. We zien dat hier heel wisselend, maar ook genuanceerd over wordt gedacht. Ook door omwonenden. Laatst zei iemand hierover: “Ik vind nog steeds spannend, die open deur, maar ik weet wel dat als ik dement word, jullie me niet opsluiten. En dat is een fijn idee!”.’

Jan Hamers
Jan Hamers, bestuursvoorzitter MeanderGroep Zuid-Limburg. Foto: Henk Rosendal

Je zei ooit: ‘Er zijn niet méér handen aan het bed nodig om bewoners van verpleeghuizen beter te verzorgen’. En: ‘Meer personeel leidt niet tot betere kwaliteit’. Wil je dat toelichten?

‘Er wordt altijd gedacht dat ‘meer mensen in de zorg’ de oplossing is voor veel – zo niet alle – problemen in de zorg. Maar dat is een misvatting. Veel problemen in de zorg die we hebben onderzocht blijken namelijk geen relatie te hebben met de hoeveelheid personeel. Sterker nog: toen we onderzoek deden naar het vastbinden van bewoners bleek dat als er meer personeel was, er zelfs meer werd vastgebonden. Je zou kunnen stellen dat als je dingen niet goed doet, en je meer mensen aanneemt, dat nog meer mensen hetzelfde niet goed doen. Dat is niet wat je wilt, je wilt juist dat medewerkers de goede dingen doen, open staan voor veranderingen en willen leren en verbeteren. Wat hiermee samenhangt is het feit dat allerlei prognoses over toenemende zorgvraag en oplopende tekorten, worden opgevat als de realiteit. Maar dat is lang niet altijd het geval.

Voorspellen is moeilijk. Vaak wordt er uitgegaan van het aantal mensen dat een bepaalde aandoening heeft, en dat wordt dan geëxtrapoleerd naar de toekomst. Daarbij wordt er dan van uitgegaan dat die dezelfde zorg nodig hebben als voorheen. Maar dat weet je helemaal niet. Kijk bijvoorbeeld maar eens naar het verschil tussen ouderen 25 jaar geleden, en die van nu. Hoe we leven, en wonen, en wat we belangrijk vinden is sterk veranderd. Verschillende generaties worden anders oud. Ook als gevolg van de opkomst van bijvoorbeeld technologie. Mensen – en wat we nodig hebben – veranderen echt. Dat is ook de reden dat de meeste voorspellingen nooit uitkomen. Kijk bijvoorbeeld maar eens naar de bezetting in verpleeghuizen: in plaats van de voorspelde overbezetting is er op sommige plekken zelfs leegstand.’

Wat is dan het alternatief?

‘Ik denk dat we anders moeten gaan denken als we naar de toekomst kijken. Minder uitgaan van aandoeningen en individuele behoeften van mensen, en meer naar beschikbare bronnen. Zoals het sociale netwerk, de zelfredzaamheid en mobiliteit, de woonomgeving en inkomen. En hoe we die bronnen kunnen herstellen of ondersteunen zodat mensen hun eigen regie behouden. Dat zal de zorgvraag in grote mate beïnvloeden. Er wordt vaak gezegd dat mensen zo lang mogelijk thuis willen blijven wonen, maar ik denk dat dit meestal niet letterlijk is bedoeld. Mensen willen vooral zoveel mogelijk eigen regie over hun leven hebben, en dat kan op verschillende woonplekken.’