Waarom heb je ooit gekozen voor de verpleging?
‘De reden weet ik eerlijk gezegd niet meer zo precies. Het heette toen overigens “verpleegster”. De naam “verpleegkundige” wordt pas gebruikt vanaf 1966. Los van deze namen denk ik dat ik altijd al wel zoiets wilde gaan doen. Het zat gewoon in me. Ik had al wel een beeld gekregen van het beroep, doordat ik een tijdje in Wenen ervaring had opgedaan in het volksziekenhuis. Niet als verpleegkundige, hoor. Ik werd daar vooral ingezet als manusje van alles. Maar het was een fijne tijd, en ik kreeg een indruk van het werken in een ziekenhuis. Die had ik daarvoor ook al gekregen in de tijd dat ik nog op het gymnasium zat en we vaak op bezoek gingen bij een vriendin met een hartafwijking. Dat maakte veel indruk op me. Dat alles heeft bijgedragen aan mijn keuze voor de verpleging, denk ik. Maar een precies antwoord heb ik niet. Wat ik wel weet is dat ik het zo weer zou doen.’
Hoe was dat, in Wenen?
‘Ook al werd ik wel een beetje als voetveeg gebruikt, ik had daar toch een prima tijd. Het was een arm ziekenhuis, in een arme stad. Wenen is later pas rijker geworden. Ik had daar werk, een klein salaris en mocht er altijd warm eten. Niet dat het erg lekker was, maar toch. En hoewel er toen ook grote woningnood was, had ik een mooie kamer met een fijne hospita. Ik mocht twee keer per week in bad. En als ik soms de muziek hard zette, bonkte de hospita op mijn deur en riep niet dat ik stiller moest zijn, maar: “Lauter!”. Zij wilde die muziek kennelijk ook horen.
Ik heb daar ook de opera leren kennen. Dat was en is wel heel bijzonder, omdat iedereen, vanuit alle lagen van de bevolking, daar samenkwam. De opera brengt mensen samen. Een staanplaats kostte in die tijd zes schilling, omgerekend in die tijd nog geen gulden. Dat was voor de meesten wel haalbaar. Bovendien was ik jong en kon ik makkelijk een hele avond staan.’
Je ging daarna ‘de opleiding in’. Wat is je het meest bijgebleven uit die tijd?
‘Vooral de saamhorigheid, zowel tussen de leerlingen als tussen de leidinggevenden en ons. Er werd goed op ons gelet, op een positieve manier.’
Je hebt in al die jaren het beroep zien veranderen. Kun je daar wat over vertellen?
‘Mensen lagen destijds langer in het ziekenhuis dan tegenwoordig. Als je ze een paar dagen intensief had verzorgd, hielp je hen daarna hun zelfstandigheid terug te krijgen. Daar is nu nauwelijks meer tijd voor. Misschien zaten we er ook wat anders in, wij wilden toen echt zorgen.
Wat ook is veranderd, is onze positie ten opzichte van artsen. Voorheen was er tussen verpleegkundigen en artsen een grote afstand. Dat had niet alleen met de tijdsgeest te maken, maar ook met de regio. Toen ik vanuit Arnhem en Haarlem in Rotterdam ging werken, was de cultuur daar al heel anders. In het Dijkzigt ziekenhuis, thans Erasmus MC, was geen sprake meer van die onderlinge afstand. Dat maakte het werk een stuk fijner.
‘Alleen beschadigde spuiten en injectienaalden werden vervangen’
Ook in het gebruik van verpleegkundige materialen is wel wat veranderd. Niet eens zozeer de vorm of toepassing van hulpmiddelen, maar waar ze van zijn gemaakt. Tegenwoordig is het meeste materiaal van kunststof, terwijl het vroeger vooral van hout, aluminium, glas, email of aardewerk was gemaakt. Dat kon daardoor keer op keer worden hergebruikt. We maakten het zelf schoon en/of lieten het steriliseren. Dat deden we ook met spuiten en injectienaalden. We voelden dan altijd eerst of er geen weerhaakjes aanzaten. Zo niet, dan werd het schoongemaakt en uitgekookt. Pas bij beschadigingen mocht het worden vervangen. Die manier van werken en materiaalgebruik zou op dit moment misschien ook wel een goed idee zijn.
Een andere verandering is de toename van het aantal specialisaties, zowel in de verpleegkunde als de geneeskunde. Voor bijna elk onderdeel is er nu wel een specialist. Het voordeel daarvan is de toename van kennis. Het nadeel is dat we hierdoor het gevaar lopen het geheel, het overzicht, te missen.’
Je hebt veel gewerkt op Interne Geneeskunde. Waarom?
‘Ik vind het prachtig als je patiënten kunt behandelen zonder te snijden.’
Later ben je docent Verpleegkunde geworden. Waarom?
‘Ik vertrok uit het Dijkzigt en verhuisde naar Den Haag. Daar maakte ik een nieuwe start en wilde ik ook wat anders gaan doen met mijn ervaring. Ik verplaatste mijn aandacht van patiënten naar leerlingen; het viel me op dat het me net zoveel voldoening gaf. Ik had een mooi vakkenpakket, dat bestond uit algemene verpleegkunde – zowel praktijk als theorie –, EHBO en geschiedenis. Ik had toen al veel interesse in de geschiedenis van de verpleging.’
Wat is je het meest bijgebleven uit de tijd als docent?
‘Het leukste was om te improviseren tijdens de lessen. Er gebeurde altijd wel iets wat afweek van de voorgeschreven lesstof, en om dan daarop in te spelen vond ik erg leuk. Ik had ook altijd veel plezier met de leerlingen, er werd veel gelachen.
‘Het is prachtig als je patiënten kunt behandelen zonder te snijden’
In de weken voor de eindexamens nodigden mijn man en ik altijd leerlingen bij ons thuis uit voor een gezellige avond met quiches en appeltaart. Mijn man sprak ze dan aan met “U”, en dat vonden ze geweldig. Het eindexamen zelf bestond uit een schriftelijk deel en eindgesprekken. Deze vonden soms ook in het ziekenhuis plaats in aanwezigheid van de geneesheer-directeur. En geloof me, dat waren bijna altijd bijzonder leuke en goede gesprekken.’
Zijn huidige studenten anders?
‘Nee, niet echt. Wel deden we vroeger altijd wat er werd gezegd. Tegenwoordig is dat niet meer zo vanzelfsprekend. En dat vind ik wel goed, je eigen mening inbrengen is belangrijk. Natuurlijk maakt het daarbij veel uit op welke manier je dat doet. Maar gedwee alles uitvoeren zoals we vroeger wel deden, dat hoeft voor mij niet.’
Je bent actief bij de Stichting Historisch Verpleegkundig Bezit. Kun je daar wat over vertellen?
‘De SHVB is in 1986 opgericht, ik was betrokken bij de oprichting. Ik ben vooral actief als collectiebeheerder. Daarvoor bestond een er al wel een vereniging die zich bezighield met de geschiedenis van het beroep. Ik was daar bestuurder van en kreeg in die hoedanigheid alsmaar historische objecten aangeboden. Om die collectie veilig te stellen, werd een stichting opgericht, de SHVB dus. Inmiddels hebben we ruim 8.000 historische verpleegkundige objecten. Alles is goed geregistreerd en de helft is ook digitaal ingevoerd. De rest volgt de komende tijd. Soms worden ook objecten aangeboden waarvan wij ook niet weten wat het precies is. Dan bieden catalogi van leveranciers uit 1903 en 1910 vaak uitkomst. Zo is er een mooie en rijke collectie tot stand gekomen die ons veel leert over dit mooie beroep.
De collectie is te zien op Urk, waar we een depot hebben. Dat is zeker de moeite waard voor studenten, verpleegkundigen, docenten en onderzoekers. Het gaat om een enorme variatie aan materialen en hulpmiddelen. Denk aan kleding, couveuses, insignes, blaasspuiten, fotoalbums, apparaten voor wisseltransfusies, enzovoort. De openingstijden staan aangegeven op de website (zie kader ‘Rijke historie verpleegkunde’). Groepsbezoeken zijn leuk en mogelijk, maar dan op afspraak. Zelf ben ik er nog ongeveer een dag per week, maar dat ga ik de komende tijd afbouwen. Ik word ook een dagje ouder…’

Wat zijn jouw plannen voor de komende jaren?
‘Ik ben begonnen met het overdragen van activiteiten. Waaronder die bij de SHVB op Urk. Het is tijd om mijn energie voor wat anders te gaan gebruiken. Ik verwacht binnenkort te verhuizen, en wil dan ook meer tijd gaan besteden aan lezen, tuinieren en misschien wel piano spelen. En wat ik vooral wil blijven doen, is iedere week een keer de zee ingaan. Dat is echt heerlijk.’
Wat zou je willen meegeven aan de nieuwe minister van Volksgezondheid?
‘Deze moet vooral goed luisteren naar verpleegkundigen en verzorgenden, ze serieus nemen, hen de ruimte geven om hun beroep goed uit te oefenen. Kortom: respect tonen.’
En wat aan de huidige verpleegkundigen en verzorgenden?
‘Eigenlijk niet veel, zolang ze maar toegewijd zijn en blijven aan hun patiënten.’
En aan de huidige studenten?
‘Hou de humor erin!’
Ten slotte: hoe kijk je aan tegen de toekomst van de verpleegkunde?
‘Er zal altijd een grote behoefte zijn aan verpleegkundigen en verzorgenden. Die zal steeds groter worden. En jonge mensen zullen er altijd voor blijven kiezen, want laten we eerlijk zijn: het is en blijft een prachtig beroep.’
Rijke historie verpleegkunde
De Stichting Historisch Verpleegkundig Bezit (SHVB) is een kenniscentrum op het gebied van de historische ontwikkeling van de verpleegkunde in Nederland. De stichting beheert in haar collectiecentrum een unieke verzameling objecten uit de rijke historie van de verpleegkunde.
De SHVB wil bijdragen aan de profilering van de (verpleegkundige) zorg door het toegankelijk maken van de materiële en immateriële aspecten van de verpleegkunde. Dit doet zij onder andere door:
- bij te dragen aan kennisontwikkeling op het gebied van de verpleegkunde;
- te belichten dat vrouwen een belangrijke bijdrage hebben geleverd (én leveren) aan de ontwikkeling van de verpleegkundige zorg;
- een historische verzameling te beheren en die toegankelijk te maken als een belangrijke bron voor informatie over de (technische) ontwikkeling van de verpleegkunde en;
- samen te werken met relevante partijen in het veld, zoals het Museum voor de Verpleegkunde/V&VN.
Meer informatie: Verpleegkundigerfgoed.nl


Indrukwekkend en voorbeeldig, maar ook uitdagend tot navolging! Collega van Deth-Ruys heeft zeker een zinvolle bijdrage geleverd aan „de familie verplegenden“ vanuit haar verpleegkundige professie! Ik schrijf „familie“ omdat ons daarin een geheel van specifieke waarden en normen bindt alsook de afkomst ( keuze voor dit beroep )! Wens haar graag een mooie volgende fase zonder museumtaken toe!