De beroepscode kan van alles oproepen. Het werk is druk genoeg en we moeten al zoveel, gaat een code ons helpen? En steeds vaker doet de code er toe binnen het tuchtrecht. Een document vol met verantwoordelijkheden en potentieel oordeel. Het kan bang en onvrij maken.
In gesprekken over de herziening gaat het al snel over de inhoud. Wat moet erin? Wat kan eruit? Welke nieuwe ontwikkelingen vragen aandacht? Maar voordat we beginnen, misschien toch eerst bezinnen: wat is de betekenis van deze gezamenlijke waarden, principes en verantwoordelijkheden nu eigenlijk?
Een beroepscode geeft richting maar is geen richtlijn. Het helpt denken maar niet besluiten. Geen enkele code kan voorzien in de uiteenlopende en onvoorspelbare situaties waarin professionals terechtkomen. Hoe graag we soms ook die zekerheid zouden willen hebben, zo’n handleiding bestaat niet. En gelukkig maar, want daarmee verliezen we juist de unieke verantwoordelijkheid en deskundigheid van de zorgverlener uit het oog.
‘Een belofte over wie wij willen én zullen zijn’
Ja, de beroepscode helpt te verantwoorden en ons handelen kritisch tegen het licht te houden. Het geeft aanwijzingen, schept verantwoordelijkheid en verplichting, waardoor we niet verdwalen en cliënten beschermen. Maar bovenal, is het ons verhaal.
Een verhaal over het vak. Dat waar we ons aan verbinden en hoe we willen verschijnen. Een verhaal dat blijft staan, dag in dag uit, in een wereld vol onzekerheid. Waarmee we laten zien: we zijn er, voor iedereen. En we doen niet zomaar iets. Woorden van vertrouwen, zorgzaamheid, bescherming en waardigheid.
Misschien is dat wel de belangrijkste opdracht bij de herziening: geen woorden van controle, maar woorden voor de vraag: Waar staan wij voor? Woorden die trots en moed dragen. Dat maakt de beroepscode zoveel meer dan een paar pagina’s papier. Het is een publieke belofte. Een belofte over wie wij willen én zullen zijn, wanneer een ander ons nodig heeft.

