Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Interview | Hugo Schalkwijk over het geheugen van de verpleegkunde

Marian Adriaansen
Hugo Schalkwijk wil dat de maatschappij zich de coronacrisis straks ook herinnert als een tijd vol verpleegkundige verdiensten. Daarom moeten we die nú vastleggen.
Nederland, Amsterdam, 21 Januari 2022 Hugo Schalkwijk Foto: Stijn Rademaker

Je bent adviseur bij het historisch college FNI. Wat houdt die rol in?

‘Ik ben als publiekshistoricus verantwoordelijk voor het dagelijks reilen en zeilen van het onlinemuseum voor verpleging en verzorging: FNI.nl. Het historisch college is aan V&VN verbonden en bestaat uit een aantal historici, verpleegkundigen en erfgoedspecialisten. Zij hebben een toezichthoudende rol op het functioneren van het museum.

Het historisch college is ook een adviesorgaan voor het bestuur van V&VN. Geschiedenis zit in mijn vezels, ik kan me niet anders herinneren dan dat ik geschiedenis superinteressant vond. Kinderboeken over ridders en piraten, later bladerde ik vaak in boeken over de Tweede Wereldoorlog, terwijl mijn vriendjes Voetbal International lazen.’

Hoe ben je bij zorg terechtgekomen?

Hugo Schalkwijk: ‘We moeten het cruciale werk van de beroepsgroep tijdens de pandemie vastleggen’. Foto: Stijn Rademaker

‘Ik ben de zoon van een verpleegkundige. Toen ik ging studeren in Amsterdam, kwam ik als bijbaan achter de balie van een verpleegafdeling terecht, die vroeger de aidsafdeling van het ziekenhuis was geweest. Een deel van het team uit de jaren ’90 was nog intact; dat waren bijzondere verpleegkundigen met een wat anarchistisch karakter.

In de pauzes ging het vaak over hun tijd op de aidsafdeling, ik hoorde veel mooie verhalen. Er was nog een plakboek over van die tijd met daarin ansichtkaarten, foto’s en korte berichten. Je kreeg als lezer echt een idee over het reilen en zeilen van een aidsafdeling in de jaren ’90.

In mijn masterperiode wilde ik mijn onderzoek over dat boek doen, maar het bleek verdwenen. Mijn onderzoek ging toen over de kwetsbaarheid van het erfgoed van de gezondheidszorg, met name gericht op de aidsepidemie en de rol van de verpleegkundige, die nauwelijks bekend was.

Een overzichtswerk van de geschiedenis van aids in Nederland gaat voornamelijk over beleidsmedewerkers en dokters. Terwijl de zorg in het begin van de aidsepidemie, toen er medisch niets te doen viel, veelal bij verpleegkundigen terechtkwam.’

Biedt de coronapandemie nieuwe kansen?

‘Tijdens de coronapandemie komt de verpleegkundige beroepsgroep meer in beeld, maar door de geschiedenis heen zie je dat die aandacht niet erg duurzaam is. Meer historisch besef kan daarbij helpen. Daar zet ik me nu sinds twee jaar met veel plezier voor in. Het is een nog vrij onontgonnen gebied en het is een mooie manier is om je als historicus op een maatschappelijk verantwoorde manier in te zetten.

‘Na een gezondheidscrisis verdwijnt de waardering voor verpleegkundigen snel’

Ik vergelijk corona ook met de andere crisissen in de gezondheidszorg, waarin verpleegkundigen continu in de frontlinies hebben gestaan. Waarbij er waardering is uitgesproken, die ook weer verdwenen is en waar de rol van verpleegkundigen geen vaste plek in ons collectieve geheugen heeft gekregen.

We moeten actief bezig zijn met hoe we ons deze periode over tien jaar zullen herinneren. Gaat het dan over het werk van verpleegkundigen tijdens de coronacrisis of praten historici voornamelijk over de persconferenties en de zoektocht naar het vaccin?’

Er is vanuit vakgenoten weinig belangstelling voor historische betekenis. Wat is jouw rol hierin?

‘Ik probeer duidelijk te maken dat je wel degelijk invloed kunt uitoefenen door een plek in ons collectieve geheugen van de maatschappij op te eisen. Hoewel veel mensen nostalgische verhalen interessant vinden en deze ook terugkomen in het museum, probeer ik ook een andere kant van de geschiedenis te laten zien. Dus niet alleen interesse wekken, maar mensen ook overtuigen van de noodzaak. We leven in een wereld die is gemaakt door beslissingen van mensen in het verleden.

Vandaag nemen we beslissingen die van invloed zijn op mensen die in de toekomst leven. Geschiedenis gaat niet alleen over vroeger, maar ook over de toekomst. Dus wanneer opiniemakers een documentaire of film willen maken over de coronacrisis, moet het vanzelfsprekend zijn dat er voor hen voldoende bronnenmateriaal beschikbaar is. Zo kunnen ze de rol van de verpleegkundige ook echt meenemen en zich niet alleen focussen op de medische wetenschap en het beleid.’

We moeten nu gebruikmaken van de maatschappelijke aandacht voor de beroepsgroep. Hoe voorkom je dat die aandacht in de toekomst verloren gaat?

‘Er wordt veel verspreid via social media. Verpleegkundigen hebben filmpjes opgenomen en op Instagram gezet. Dat vind ik een goede ontwikkeling, want zo ontstaat een netwerk van verpleegkundigen zonder dat de media daartussen zitten. Die verdraaien nog weleens wat om meer clicks te krijgen en zetten een beeld neer van verpleegkundigen dat niet altijd strookt met de werkelijkheid.

Ik zie het als een taak voor ons instituut om voorbeelden van het cruciale werk van verpleegkundigen tijdens de coronapandemie in verschillende sectoren en tijden vast te leggen en beschikbaar te maken voor onderzoek. Zo zorgen we ervoor dat er in ieder geval bronnen zijn. Die kunnen over corona gaan, maar zijn ook toepasbaar op thema’s als leiderschap of zeggenschap. Waar hebben verpleegkundigen inspraak geëist, wat is daar uitgekomen en hoe zouden we dat kunnen vastleggen? Volgende generaties verpleegkundigen kunnen daarvan leren.

Een mooi voorbeeld kwam ik tegen tijdens de eerste coronagolf. IC-verpleegkundige Kim Marquardt fotografeerde het werk van haar en haar collega’s op de afdeling. Deze foto’s stuurden we in voor een digitale tentoonstelling over corona van het Amsterdam Museum. Een prachtig voorbeeld van hoe je in het heden bezig bent met herinneringen van de toekomst.’

Dezelfde kwesties lijkten voortdurend terug te komen

‘Maar de context verandert voortdurend. Toen de hbo-v en mbo-v begin jaren ’70 startten, was de gemiddelde verpleegkundige veel korter in dienst, vaak niet langer dan vijf jaar. Tot halverwege de jaren ’50 mochten vrouwen niet doorwerken na het huwelijk. Dat is nog tot lang daarna van invloed geweest en speelde mee in de discussie rondom de totstandkoming van mbo-v en hbo-v.

Zo wilden veel mensen af van de leeftijdsgrens van 17 jaar en zeven maanden die bij het inservice-onderwijs gold. Op die manier konden gediplomeerde verpleegkundigen sneller en langer werken. Tegenwoordig oefenen verpleegkundigen wel 30 tot 40 jaar hun beroep uit.

Het is wat dat betreft ook geen toeval dat verpleegkundigen zich vanaf het begin van de jaren ’80 gingen verenigen en in opstand kwamen, omdat de beroepsgroep sterker was geworden, langer in dienst was en anders werd opgeleid. Ik vind het interessant om ook die veranderende context in beeld te brengen.’

Je maakt deel uit van het onderzoeksproject RN2Blend, een wetenschappelijk programma naar gedifferentieerde inzet van verpleegkundigen. Wat is jouw bijdrage?

‘We hebben in het begin veel mensen gesproken die een rol hebben gespeeld in bijvoorbeeld de wet BIG-II. Tijdens de gesprekken werd de historische lading van dit debat zichtbaar. Dat thema vraagt om een historische benadering, en dat is precies mijn taak.

Het lijkt of deze discussie niet verder komt en zich herhaalt, maar ondertussen verandert het hele zorgveld enorm. De hbo-v’er is wel degelijk op een andere manier gepositioneerd dan toen zij in het veld kwam, de inservice-opleiding bestaat niet meer, er zijn verzorgenden, verplegingswetenschappers en VS bijgekomen. Verpleegkundigen hebben daar een grote rol in gespeeld. Ik werd met allerlei rapporten en gebeurtenissen om de oren geslagen. Daarom heb ik met hulp van Rob van der Peet (auteur van onder meer het boek Van Verpleegster tot Verpleegkundige, red) een ordening proberen te maken.

In een tijdlijn op de RN2Blend-website wordt de rommeligheid van de geschiedenis in dat debat duidelijk. In mijn proefschrift ga ik niet alleen in op het debat zelf, maar ook op gerelateerde zaken, zoals in hoeverre het imago van verpleegkundigen een rol speelt. Dus thema’s als positie en zeggenschap. Hoe de verpleegkundige wordt gezien in de maatschappij en hoe zij zichzelf ziet en wat haar positie is in het debat.

Met die lessen gaan we ook aan de slag in zorginstellingen die bezig zijn met functiedifferentiatie. Samen met mijn Fontys-collega’s Dieke Martini en Pieterbas Lalleman werk ik volgens de learning history-methodiek. We tekenen met betrokkenen uit alle lagen van de organisatie hun ‘geschiedenis’ met functiedifferentiatie op. Zo kunnen we zowel successen als pijnpunten uit het verleden benoemen en het gesprek op gang brengen.

Op basis daarvan kunnen we mensen laten nadenken over het veranderproces. Dit verhaal presenteren we in podcastvorm, een toegankelijk medium waarmee we een breed publiek proberen te bereiken. De podcastserie heet: ‘BlendFM’.

Had je ook bedacht hoe studenten weer meer geïnteresseerd kunnen raken in geschiedenis van het vak, zodat ze huidige kwesties beter begrijpen?

‘Er is al best veel interesse, maar we moeten ook pragmatisch zijn, want de curricula zitten helemaal dicht. We moeten dus laten zien wat we te bieden hebben. Op de website van FNI hebben we prachtige educatieve modules, waar veel gebruik van wordt gemaakt. En ik geef veel gastlessen.

‘Laat studenten zien dat het makkelijk is aandacht voor geschiedenis te hebben’

We moeten mensen met de collectie zelf laten werken. Daarvoor hebben we veel denkkracht in het college zitten met ideeën die we verder moeten uitwerken. We moeten laten zien dat het makkelijk is om aandacht voor geschiedenis te hebben.’

Waar sta je over tien jaar?

‘Ik zou graag willen bouwen aan een mooi digitaal doorzoekbaar archief. Daarbij kijk ik als voorbeeld naar het Royal College of Nursing in het Verenigd Koninkrijk, waar dit het uithangbord op hun eigen website is. Dat archief heeft een grote reikwijdte: van Nightingale tot nu. Daarmee worden verpleegkundigen in staat gesteld de geschiedenis in hun onderzoek mee te nemen.

Bijvoorbeeld wanneer afdelingsverpleegkundigen meer willen weten over decubitus en in vakbladen kunnen terugzoeken waar het probleem vandaan komt, Maar ook wanneer wetenschappers onderzoek willen doen naar leiderschap, positie en zeggenschap. Als facilitator van historisch onderzoek is het voor mij een droom om op die manier het FNI neer te kunnen zetten.

Het lijkt me goed als er een hoogleraar geschiedenis van de verpleegkunde komt die zich samen met collega’s buigt over vraagstukken in de verpleegkunde, zoals in de Engelstalige landen al gebeurt. We hebben nu als FNI een goede plek bij V&VN, omdat daarmee de duurzaamheid is gewaarborgd. Dat geeft ruimte om te groeien, want ik heb maar een beperkt aantal uren in de week.

We zijn op de goede weg. Zo zijn we met een aantal partijen druk bezig met een vacature voor een nieuwe onderzoeker. Speciaal voor de geschiedenis van de verpleegkunde. Voor mij geweldig nieuws. Ik leun op wat mijn voorganger Nannie Wiegman heeft gedaan, maar ook op alle nieuwe enthousiastelingen die zich met de historie van het vakgebied willen bezighouden. We staan aan het begin van een beweging. Wij zijn het geheugen van de verpleegkunde!’

CV

Werkzaamheden 

2020 – heden Adviseur Historisch College FNI (V&VN)
2021 – heden Promovendus, lectoraat persoonsgericht in een ouder wordende samenleving, Fontys Hogescholen
2020 – 2021 Onderzoeker, RN2BLEND-onderzoeksgroep, Hogeschool Utrecht
2002 – 2007 Consultant BureauFlex, OLVG, Amsterdam
2001 – 2006 Zelfstandige onderzoeker Publieksgeschiedenis

Opleiding

2021 – heden PhD/buitenpromovendus, Universiteit van Amsterdam
2013 – 2015 Master Publieksgeschiedenis, Universiteit van Amsterdam
2009 – 2013
Bachelor Geschiedenis, Universiteit van Amsterdam