Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Dossier Van den Brink-Tjebbes: actueel erfgoed | Professionele identiteit

In de beeldvorming rond verpleegkundigen hangt nog vaak het idee dat zij de ‘verlengde arm van de arts’ zijn. Maar misschien zijn verpleegkundigen tegenwoordig meer de verlengde arm van de werkgever.    
Dossier voorkant
Illustrator: Monique Wijbrands

Wat verpleegkundigen doen, voor wie, en op welke manier, wordt tegenwoordig eerder ingevuld door bedrijfsvoering dan door zorginhoud. ‘Daarvoor zijn we niet in de verpleging gegaan!’, roepen we. We weten wel wat goede zorg is, maar door omstandigheden kunnen we die niet leveren. We hebben last van ‘moral distress’, of een burn-out. De vraag is echter: wat is dat dan, ‘zorginhoud’ of ‘goede zorg’? Kunnen verpleegkundigen zeggen wat hun eigen taken zijn, aan wie zij welke zorg dienen te geven? Kortom, wat is hun professionele identiteit?

Als de omstandigheden in ‘het systeem’ waarbinnen verpleegkundigen werken punt van discussie zijn, dan is ook hun professionele identiteit punt van discussie. Het valt op hoeveel pogingen om deze professionele identiteit onder woorden te brengen afkomstig zijn uit het Engelse (met name Amerikaanse) taalgebied: Evidence Based Practice, Bachelor, Shared Decision Making, CanMeds, Magnet, Leadership, Nursing Research, maar ook tools, screening, assessment. Ook valt op dat veel van deze concepten afkomstig zijn uit de medische wetenschap, onderwijskunde en organisatiekunde, niet uit de verpleegkunde zelf. Misschien geeft dat een bepaalde professionele geloofwaardigheid? Maar die taal roept de vraag op in hoeverre dit gaat helpen om zorginhoudelijk denken over professionele identiteit van verpleegkundigen tot bloei te laten komen.

Van den Brink-Tjebbes

Verpleegkundige en andragoog Bien van den Brink-Tjebbes onderzocht in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw hoe het beroepsbeeld, het wetenschapsbeeld, het maatschappijbeeld en het mensbeeld in Nederland werden beïnvloed door die Engelstalige begrippenkaders.1 Samengevat lijkt het professionele zelfbeeld van verpleegkundigen als medewerkers van zorgorganisaties inderdaad meer beïnvloed door een Angelsaksische dan door een ‘Rijnlandse’ visie op maatschappij en samenleving, meer door een neoliberale dan door een sociaaldemocratische visie op arbeid en beroep, meer door een moderne dan door een voor- of na-moderne visie op menszijn. Daarmee krijgen we een beroepsbeeld waarin efficiëntie centraal staan. ‘Wordt niet alom de roep gehoord om research?’, zo constateert Van den Brink-Tjebbes.2 Maar is dat wel wat verpleegkundigen te doen staat? Is dat wat hen tot verpleegkundigen maakt?

Europese visies

Op het eerste gezicht lijken er misschien veel overeenkomsten te zijn tussen Amerikaanse theorieën (zie de bijdragen van Aart Eliens en Aliza Damsma in dit dossier) en Europese theorieën als die van Van den Brink-Tjebbes (zie de bijdragen van Van Daalen en Jukema in dit dossier). Maar die gedachte zou zij zelf van de hand wijzen, denk ik. Zij lijkt veel meer geestverwant met andere Europese – in het bijzonder Scandinavische – zorgtheorieën als die van Katie Eriksson (Finland), Karin Dahlberg (Zweden) en vooral Kari Martinsen (Noorwegen). Hieronder wijs ik op die fundamentele verwantschap.

Van den Brink-Tjebbes en Martinsen strijden aan hetzelfde front: de dominantie van een bepaalde wetenschapsopvatting in de verpleegkunde. Hun aanvliegroute is echter anders. Van den Brink-Tjebbes steekt in op de vraag wat het professionele zelfbeeld van de verpleegkundige is. Martinsen steekt in op de waardigheid van de patiënt in het zorgsysteem. (Uiteraard zou Van den Brink-Tjebbes meteen zeggen dat het haar daar uiteindelijk ook om te doen was.)

Van den Brink-Tjebbes wijst op een theoretisch probleem. Verpleging is geen toegepaste wetenschap, zegt zij, geen mechanisme van middel tot doel. De verpleegkundige praktijk kent vooraf niet de doelen waarop wetenschappelijke kennis toegepast kan worden. Verplegen is geen systeem dat individuele gevallen behandelt als casus van algemene kennis. Doelgerichtheid is niet wat je tot verpleegkundige maakt.

Martinsen wijst op een politiek probleem van research en evidence. Wanneer specifieke vormen van kennis dominant zijn, zoals kwantitatieve, dan zijn ook specifieke vormen dominant om die kennis te vergaren, te verspreiden en te bewaren. Kennis en onderzoek zijn dan verknoopt met geld en macht. Maar verplegen is geen systeem van wat geïnstitutionaliseerd en vergoed wordt. Een verlengde arm van werkgever en financierder is niet wat je tot verpleegkundige maakt.

Blinde vlekken

Van den Brink-Tjebbes en Martinsen wijzen dus allebei op een eenzijdige blik van de verpleegkundige op de patiënt. Er ontsnapt volgens hen iets wezenlijks aan die blik. Maar wat? Laten we een voorbeeld nemen. Stel, je bent stagiaire en je werkbegeleider vraagt je voor een patiënt een gevalideerde tool voor risicoscreening op ondervoeding in te vullen. Je loopt de zaal op, vult de lijst in, en gaat hem uploaden in het EPD. Maar, vragen Van den Brink-Tjebbes en Martinsen, heb je nu meegekregen wat je patiënt werkelijk nodig heeft? Heeft je werkbegeleider het meegekregen? Hier wijzen Van den Brink-Tjebbes en Martinsen op twee verschillende blinde vlekken.

Wat volgens Van den Brink-Tjebbes ontbreekt is volwaardige morele waarneming. Noem het een ‘open geweten’. Met voorgegeven standaarden en interventies op zak, ook al zijn ze honderd keer gevalideerd, kun je nog niet waarnemen wat de patiënt echt nodig heeft. Daarvoor moet de verpleegkundige zich eerst belangeloos naar de patiënt toewenden en zich er vervolgens onbaatzuchtig voor inzetten. Hiervoor sluit Van den Brink zich aan bij een Europese denker, Emmanuel Levinas.3

Wat volgens Martinsen aan het plaatje ontbreekt is volwaardige zintuiglijke waarneming. Als je met research en evidence binnenkomt, denk aan het voorbeeld van de checklist, dan mis je wat de ogen, tong, oren, neus en handen waarnemen over de nood van de patiënt. Dan objectiveer je meteen, standaardiseer je, distantieer je. Dan word je zorg generiek, uniform, functionalistisch. Noem het ‘snelle kennis’. Martinsen werkt uit hoe de verpleegkundige juist met ‘open zintuigen’ de patiënt kan leren kennen in diens bestaan als mens. Dit noemt zij ‘langzame kennis’. Hiervoor sluit zij zich aan bij ‘de Deense Levinas’, Knud Løgstrup.4

Opleiding

Welnu, dankzij de langzame kennis van een open geweten en open zintuigen, kun je de snelle kennis van checklisten en protocollen inzetten. Maar nooit andersom. Zelf denk ik dat er ook nog kennis nodig is om die langzame kennis in te zetten. Kennis waardoor je kunt reflecteren op jezelf en het alledaagse bestaan in de zorg. Door een open geweten en open zintuigen wordt het verstoorde bestaan van de patiënt verbonden met zinervaring, vervulling en waardigheid van het bestaan. Dat zullen we alleen waarnemen wanneer we daarbij stilstaan. Ik noem het ‘stationaire kennis’.

Van den Brink-Tjebbes en Martinsen waarschuwen verpleegkundigen ervoor geen verlengde arm van de medicus of werkgever te zijn. Maar ze zeggen nergens dat het de schuld van medici of werkgevers is. Verpleegkundigen moeten de hand in eigen boezem steken. En dat begint bij de opleiding. De dominante manier van kijken en denken wordt doorgegeven van generaties docenten op generaties studenten. Dus naar welke bronnen leren mbo en hbo de verpleegkundigen kijken? Waaraan menen zij professionele geloofwaardigheid te ontlenen? In mijn ogen zijn theorieën van dicht bij huis, zoals de Scandinavische caring science, een zinvolle aanvulling op het huidige professionele zelfbeeld van verpleegkundigen.

Referenties

  1. Brink-Tjebbes JA van den. Verpleging naar de maat. Lochem: De Tijdstroom; 1989.
  2. Cusveller BS. Zorgzaam bestaan. De verpleegvisie van J.A. van den Brink-Tjebbes. Utrecht: Eburon; 2025.
  3. Niessen T, Keij J. Van mens tot mens. De weg naar het best mogelijke zorgen. Baarn: Ten Have; 2025.
  4. Martinsen KM. Care and Vulnerability. Oslo: Akribe; 2006.