Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Column Cecile aan de Stegge | Angst voor homoseksualiteit in verpleging onnodig

Dinsdagavond 21 maart, Spui 25. Ik zit in een cultureel centrum van de Universiteit van Amsterdam, waar nieuwe boeken gepresenteerd worden. Vandaag de biografie van Koen Hilberdink over de in 2002 overleden psychoanalyticus en hoogleraar psychiatrie P.C. (Piet) Kuiper.

Diens boeken Hoofdsom der Psychiatrie en Neurosenleer waren ook voor generaties psychiatrisch verpleegkundigen verplichte kost, dus ik ben vol interesse op komen draven. De zaal zit bomvol, enerzijds met psychiaters, anderzijds met (mannelijke) homoseksuelen, journalisten en andere geïnteresseerden. Vier vooraanstaande psychiaters en een biograaf geven kritisch commentaar op Hilberdink’s boek.

‘Penisnijd’

Uit Kuipers dagboeken blijkt dat Kuiper zichzelf homoseksueel achtte, maar daarmee tobde. Zijn geloofsovertuiging en ambitie stonden hem in de weg uit de kast te komen, want een homoseksuele man mocht indertijd niet tot hoogleraar benoemd worden in Nederland. Als psychoanalyticus verdedigde Kuiper de Freudiaanse theorie dat elke vrouw ‘penisnijd’ koestert. Iemand uit het publiek vraagt: ‘Kende Kuiper dan geen vrouwelijke homoseksuelen?’ De respondent (ik weet niet meer wie) antwoordt: ‘Die had hij vermoedelijk nog nooit gezien’.

‘Beslist een deel van de directrices moet lesbisch geweest zijn, mogelijk vooral de meest vooruitstrevende.’

Om deze stelling moet ik erg lachen. In Kuipers tijd waren waarschijnlijk immers tal van verpleegsters in de top van ziekenhuizen en inrichtingen homoseksueel. Voor de functie van ‘directrice verpleging’ moest een vrouw tot de wet van Van Oven (1957) verplicht ongehuwd zijn. Ik heb in mijn historisch onderzoek tal van verpleegkundig directrices leren kennen (zowel in ziekenhuizen als psychiatrische inrichtingen en inspectie-organen) die levenslang met één vriendin samenwoonden. Beslist een deel van hen moet lesbisch geweest zijn. Zou Kuiper er niet één ontmoet hebben?

‘Naderhand begrepen’

Zaterdagochtend 1 april, een pannenkoekenhuis in Driebergen-Zeist. Ik vertel 12 voormalige verpleegkundigen uit het VU ziekenhuis over mijn onderzoek naar hun voormalige directrice, zuster J.C. Groneman. Deze vrouw heeft voor hen een in-service-opleiding gerealiseerd terwijl het VU-ziekenhuis nog in aanbouw was! Zr. Groneman had indertijd zó’n grote naam, dat ze overal stageplaatsen kon krijgen, zowel in ziekenhuizen, sanatoria, psychiatrische instellingen als in de wijk.

Zo bouwde zij de eerste integrale verpleegopleiding van Nederland, nog vóór de hbo-v. ‘Wisten jullie dat ze homoseksueel was?’, vraag ik. ‘We wisten dat ze met haar vriendin samenleefde, maar dat dit betekende dat ze homoseksueel was hebben we pas naderhand begrepen’, zeggen de zusters, die elkaar deze dag exact 60 jaar kennen.

Het verband tussen de twee bijeenkomsten is het idee dat in vroeger tijden vooral mannen die verpleegden homoseksueel waren. De toch al ondergewaardeerde, doorgaans zeer vooruitstrevende, doch verplicht ongehuwde directrices worden dan zomaar weer vergeten. Dat zou toch jammer zijn.  Laten we onze ogen eens voor hén openen.

Cecile aan de Stegge, verpleegkundige, gepromoveerd op historisch onderzoek, werkzaam bij de faculteit voor gezondheidszorg, Hogeschool Leiden